Van competitie naar partnerschap

Van competitie naar partnerschap. Een voor onze wereld cruciale verschuiving van waarden, die Edgar Mitchell (Apollo-astronaut en oprichter van het Institute of Noetic Sciences) signaleert.

De gedachte dat overleven van de sterkste onze natuur is, impliceert een voortdurend gevecht om te overleven. Het refereert aan een oerreflex: wij of zij, vecht of vlucht. Het staat wat we nodig hebben: begrip, verbinding en respect, in de weg. Niet de sterkste overleeft ten koste van de ander, het sterkste overleeft als simpel evolutionair gegeven.

De basis is eerder een voortdurende belangstelling om te ontwikkelen, een nieuwsgierigheid (de nieuwsgierigheid die je al ziet bij een klein kind) om verder te gaan, evolutie onze natuur. Strijd om te overleven staat de ontwikkeling in de weg. Daar ligt ook het belang van het verdelen van welvaart, het verminderen van armoede.

Globalisering is een evolutionair proces van vijandige concurrentie naar samenwerking. (Elisabeth Sahtouris).

Wat een energie wordt besteed aan competitie, concurrentie en strijd… En een geest vervuld van strijd laat geen ruimte voor verbinding. Voor mij zijn leven en – als onderdeel daarvan – werken, geen wedstrijd. Het is geen gok, het gaat niet om wedden. Het is een nauwkeurig onderzoeken van wat de vraag is van degene voor wie je werkt. Het is het verdiepen in de werkelijke bedoelingen van de gebruiker en het gevolg daarvan voor haar gebouw. Dit proces verhoudt zich niet tot de primaire reflex van een gok, of strijd. Dienst verlenen, gebouwde omgeving scheppen, is geen gevecht, het gaat er niet om dat de sterkste zijn een stempel drukt op het werk. Essentieel is dat alle betrokkenen zich herkennen in het resultaat, het gebouw, het advies, de woonomgeving. Werken in wedstrijden brengt armoede. Ik kies voor werken in verbinding, steeds nieuwsgierig naar wat een nieuwe situatie kan brengen. Adviseren, begeleiden, ontwerpen is: verbinding maken in dialoog zijn.

Het is steeds open kijken naar wat je kunt bijdragen, zonder vooringenomenheid. Dit vraagt samenwerking, verbinding, openheid en contact. Dit verhoudt zich niet met de afstand van competitie en concurrentie, als onderdeel van een wereld waar respect en duurzaamheid niet vanzelfsprekend zijn.

Deze visie draag ik graag uit: als je je niet zichtbaar maakt kun je je niet ontwikkelen, je werk niet doen. Graag maak ik me zichtbaar in werkwijze en intentie, dat is de uitdaging. Zo hoop ik een bijdrage te leveren aan een wereld ontstaan uit betrokkenheid, opdat mensen zich betrokken voelen bij hun wereld.

Jan Weeda | janweeda@hetnet.nl

Architectuur en de kredietcrisis

Wie een goed gebouw wil maken zal de mensen moeten leren kennen

Back to Basics, daarmee kan en zal de bouwwereld budgetbeperkingen als gevolg van de kredietcrisis pareren, zo valt te lezen in het Jaarboek van de Architectuur 2009. Het slim toepassen van bijvoorbeeld eenvoudigere materialen en prefab elementen zal leiden tot architectuur zonder toeters en bellen. Een zinvolle ontwikkeling, een logisch gevolg van deze tijd.

Het is goed te overwegen wat essentie is en wat toeters en bellen zijn. Die heroverweging wordt nog eens ondersteund door historische belangstelling in Nederlandse architectuur voor soberheid en duurzaamheid.

Naast deze materiële afweging is het ook goed om stil te staan bij een diepere laag achter de kredietcrisis. En dat leidt tot de morele kant: het systeem van financiële waarden die prevaleren boven levenswaarden is bankroet. Winst als eerste doel heeft ons het bankroet gebracht. En het is goed om nu ook met die bril te kijken naar de architectuur: wat zijn de morele toeters en bellen in dat werkveld? In de bouwwereld speelt ook economisch gewin een belangrijke rol, en met regelmaat: de eerste viool. Daarnaast is er in mijn beleving in ons vakgebied regelmatig sprake van persoonlijke verwarring.

Geld als doel

De vrije markt verteert de moraal, zei de econoom Wilhelm Röpke. Hij riep op tot het formuleren van immateriële waarden en beschouwen van de historische kaders als voorwaarde voor economische ontwikkeling. Als zin en bezieling, ontbreken wordt geld doel op zich, met mogelijk desastreuze gevolgen. De kredietcrisis heeft het bevestigd. Steeds meer sectoren in de bouw worden door markt en geld gestuurd. Dit heeft ook regelmatig gevolgen voor de rol van de architect. Architect Ekim Tan signaleert een extreme vorm hiervan: … de architect is stylist geworden… De alternatieven lijken duidelijk: je bent stylist en je werkt met de Grote Jongens, of je bent activist en je werkt met de mensen.

Dat economie, goed financieel huishouden, een rol speelt is vanzelfsprekend. Geld als doel leidt echter af van inhoudelijke zaken. Markt partijen corrigeren zich niet van zelf, zonder kaders wordt de gretigheid grenzeloos. Geld is een goed hulpmiddel en gevaarlijk als sturingsmiddel.

Kunstenaarschap voorop

Daarnaast heeft de extreme individualisering van onze samenleving geleid tot een overdreven gevoel van persoonlijkheid: de gedachte dat een architect zijn fantasie de vrije loop moet kunnen laten en zich kost wat kost op originele manier moet uit drukken. Kunstenaar en vormgever stelden traditioneel hun kunnen in dienst van de samenleving.

Talent wordt ontwikkeld om te kunnen dienen. Individualisering maakt dat originele persoonlijke expressie prevaleert. En zo zien we een persoonlijke verwarring: de ontwerper wil uiting geven aan zich zelf in plaats van aan wat gevraagd wordt.

Recente voorbeelden hiervan zijn er helaas genoeg. Met regelmaat horen we bijvoorbeeld dat collega’s de toegang tot de bouw wordt ontzegd, omdat hun bijdrage niet meer als positief werd ervaren.

Architectuur gaat niet in de eerste plaats over geld of over een persoonlijk kunstje. Architectuur gaat over mensen. Daar ligt de bron van ons werk, dat voor jaren onze woonomgeving en werkruimten vormt. En dat vraagt kennis van mensen.

Wat is dan Mooi?

Waar mensen de kans krijgen hun eigen woning te bouwen, ontstaat een verzameling van huizen zo divers als in een doos gemengd gebak. Boerderettes, naast villa’s in glas en stucwerk… Tegelijkertijd zien we dat grote bouwwerken in Delhi, HongKong, Tokyo, NewYork grote gelijkenis vertonen, alsof er mondiale afspreken zijn. We willen graag iets moois maken, maar er is afstand tussen professional en leek. Mooi: wat is dat eigenlijk?

Mooi en je eigen geschiedenis

Persoonlijke ervaringen, geschiedenis, geluksbeeld en verlangen naar wat men niet heeft, bepalen onze individuele smaak. Le Corbusier ontwierp strakke moderne arbeiderswoningen in een landelijke omgeving. De abstracte vormgeving, platte daken, hoekige kozijnen, modern materiaal gebruik drukten zijn verlangen naar éénvoud uit. De bewoners, van boerenkomaf, verlangden echter naar hun traditionele huizen en pasten het ontwerp aan met luiken, kleine ramen, hekjes, schuine daken.

Architect en bewoners realiseerden beiden hun verlangen. De architect verdiepte zich echter niet in de mensen voor wie hij werkte. Hij deed zijn eigen ding, hoezeer we, vanuit onze professie als architecten, het wellicht ook kunnen waarderen. Uiteindelijk is de kunde om als architect een vorm te vinden bij het verlangen van de opdrachtgever.

Mooi voor de eeuwigheid

De beleving van schoonheid kent ook een emotionele cyclus, legt Alain de Botton uit in zijn boek “de architectuur van het Geluk”. Een nieuw gebouw wordt enthousiast in gebruik genomen. Vervolgens maakt het enthousiasme plaats voor vraagtekens. Wat vooruitstrevend was, raakt verouderd: zo doen we dat niet meer!. Uiteindelijk komt een sloopbesluit nabij, tot iemand roept: dit gebouw is markant voor die tijd! Het neemt een jaar of 50 om vrijer van persoonlijke emotie en binding te kijken. Kennis van de psychologie van de smaak is fundamenteel in de architectuur, evenals bescheidenheid. Wie weet hoe we over 50 jaar zullen kijken. We lijken ridders van de goede smaak, maar wat willen we veroveren? Vermeldingen in glossy-vakbladen, aandacht in kringen van collega’s, voor wie bouwen we eigenlijk?

De, door het economisch paradigma en ego veroorzaakte, crisis vraagt een antwoord op een immaterieel niveau: dat van moraal. Back to Basics in architectuur wil zeggen: geen toeters, geen bellen, maar mensen centraal stellen.

Architectuur die bijdraagt…

Architectuur als expressie van de wens, droom, van opdrachtgevers voor bewoners, gebruikers… Dat is een architectuur waar de maatschappij baat bij heeft. Opgravingen en historische gebouwen laten een leefwijze, cultuur zien. Het gebouwde fascineert door wat het tot uitdrukking brengt. Architectuur is een weerslag in materie van de samenleving. Architectuur is bezig zijn met het leven, met mensen. Dat is niet een keuze, het is een feit. Het gaat er om ons beste kunnen te ontwikkelen, ons in te leven en dienstbaar op te stellen.
Het gaat er om ons te verdiepen in de vraag en vervolgens daarop creatief en professioneel in te spelen vanuit de architectuur. Door studie en verdiepen zal het bewustzijn rond schoonheid, haar bron en verschijning, toenemen. Niet regels en kaders maar inzicht in cultuur, mensen, samenleving en begrip van eigen oordeel en smaak zijn een bijdrage aan een goed ontwerp.

Een omgeving die voortkomt uit betrokkenheid is een bijdrage voor de ontwikkeling tot mensen die betrokken zijn op hun omgeving.
Wie de mensen leert kennen…wil een goede omgeving voor ze maken en andersom: Wie een goed gebouw wil maken zal de mensen moeten leren kennen…..

Jan Weeda | janweeda@hetnet.nl